Psalm achtenvijftig (deel 2)
Ik hou van ze allebei. Ik wil met ze praten, maar ze zijn er niet. Ik ben er ook niet. Ik ga naar binnen en verstop me tussen de kast en de muur. Ik eet vier perziken. Het sap loopt langs mijn mondhoeken en drupt op de grond. De stenen doe ik in de verkreukelde papieren zak. De laatste, meest gekneusde perzik leg ik boven op de kast, naast de vaas met zonnebloempjes. Kahlil komt binnen. Hij vraagt waar ik blijf. Ik zeg niets. Hij heeft het over een opblaasboot. Hij pletst dichterbij, strompelt onhandig omwille van de zwemvliezen en laat bijna zijn telefoon vallen. Hij vraagt wat er scheelt, waarom ik ben weggelopen. Hij legt zijn hand voorzichtig op de zonnebloem. Zijn smartphone gaat af. Hij neemt op en zwijgt. Hij huilt. Hij kijkt me aan en zegt: Rachid is …