Pesjawar. Pakistan. Ik ben er niet, maar mijn tatoeage wel. Ik verstop ze tussen de kast en de muur. Voor de kast ligt een handgeknoopt, Perzisch tapijt. Bovenop heb ik de laatste perzik gelegd, naast de vaas met gele bloemen. De vaas, realiseer ik mij plots, heb ik daar gezet om de aandacht af te leiden. Kahlil zal zich vast afvragen waarom de perzik en de vaas bij elkaar horen. Buiten roept een muezzin nerveus op tot gebed. Ik verdwijn tussen de kast met fijnmazige deuren en de olijfkleurige muur.
De kast is oud, misschien wel honderden jaren. Het psalter van mama ligt erin. De muur heeft al elektriciteit. Het tapijt is vezelig. De rafelige rand raakt mijn blote voeten aan. En ik ben er nu wel, al hoop ik dat Kahlil me niet opmerkt in mijn badpak. Ik denk dat ik uit het zwembad kom, ik weet het niet zeker. Mijn haar hangt in natte slierten over mijn ene schouder. Er ligt een plasje water of urine op de rode, gepolierde vloer, rond mijn voeten. De rand van het tapijt kleurt donker. Ik drup. Ik zoek foutjes in het tapijt. In de verte hoor ik de pret, het plonsen, de opgewonden stemmen van mensen.
De tatoeage jeukt. Alles rondom lijkt weggesneden en de grisaille is het enige wat van mij overblijft. De tekening is sierlijk en groot. Ze loopt van op mijn schouder, over mijn rug, tussen mijn bilspleet, langs de binnenkant van mijn linkerbeen, helemaal tot mijn enkel. Als een loden zonnebloem staat ze tussen de fijnmazige kast en de olijfkleurige muur met stopcontact. Ik verroer me niet en kijk hoe het zonlicht in de spleet tussen de kast en de muur valt. Mijn badpak hangt over de tatoeage als over een kapstok.
Kahlil komt de kamer binnen. Ik hoor het pletsen van zijn zwemvliezen. Ik hoop dat de perzik en de vaas hun werk doen. Hij ziet me niet, denk ik.
“Ah, sappig perzikje van me,” zegt hij. “Hier ben je.”
Gelukkig, denk ik, hij heeft het tegen de perzik.
“Waar blijf je? Buiten is het zo leuk. Ze gaan de boot opblazen.”
De ontploffing van drie dagen geleden vaart binnen als piratenboten. Ze enteren de rust. “Ik ben er niet,” fluister ik zacht tussen de muur en de achterwand van de kast. Mijn adem fluit een beetje. “Ik ben er niet. Ik ben weg.” Het gevoel van dood vlees aan mijn handen wil niet weggaan.
“Maar perzikje, liefje, wat scheelt er?”
Ik voel me niet verplicht te antwoorden op vragen aan fruit.
“Aïsha, serieus. Waarom liep je daarnet weg?”
Het pletsen komt dichterbij, Kahlil legt een hand op mijn schouder. Ik vouw traag de zonnebloem op mijn lijf tot een verschrompeld origamiplantje. Ik huil en vervloek de perzik die zich niet van haar taak kweet. Een beetje afleiden, een beetje blind maken was alles wat ik vroeg. Ik pak ze van de kast en leg ze voorzichtig op de grond. Ik zet mijn voet erop. Mijn zool voelt de pijn van de pit.
Drie dagen eerder. Afghanistan. Kaboel. Kahlil en ik op de vlucht. Een bus ontploft. Stukken metaal doorboren de ijle lucht en mensen, zoveel mensen. Ze scharrelen schreeuwend tussen hun hopeloos uiteengereten koffers tevergeefs hun geschonden leven bijeen. De voorkant van de bus ligt aan flarden, de chauffeur hangt levenloos en bebloed over het stuur. Op straat schokt het motorblok na, de vonken schieten eruit, en over stangen van gebogen staal bungelen verhakkelde lijken. De achterkant van de bus is een open muil, jankend en onder het stof. Ik heb perziken. Ik kocht ze daarnet nog op straat. Het waren de laatste, vijf stuks. In deze heksenketel kan ik niet eten, ik bewaar ze voor later. Ze ritselen in een papieren zak. Broos zijn ze en al geblutst. Kahlil noemt me soms perzikje om me te plagen.
We worden doorgelaten door Amerikaanse soldaten. We rennen het luchthavengebouw in. Er wordt geschoten. De Amerikanen die samen met ons doorgelaten werden, vallen allebei. Kogels slaan naast ons in. Opnieuw een explosie. Steenslag doet pijn. De zak is niet gescheurd. Ik grijp de arm van een Amerikaan. Hij hangt er niet meer aan.
Twee uur later. Apathisch fluister ik: “Het is niet echt.” Het hele vliegtuig davert. “Het kan niet. Ik ben er niet. Ik ben er niet. Het is niet waar. Ik ben er niet.” Ik schud mijn hoofd onophoudelijk. Ook als het toestel niet meer davert, beef en fluister ik verder.
We stappen uit. Pakistan. Pesjawar. Weg van de hel. Nog steeds in de hel. Bij momenten ben ik er, op andere ogenblikken niet. Dan grijp ik opnieuw naar armen. We logeren bij familie. Op televisie zien we hoe Taliban met moderne middelen middeleeuwse praktijken evoceren. Een stapeltje afgehakte handen, wat roepende mensen zonder rechterhand op een rij. Twee kraanwagens rakelen twee lijken tot boven de menigte. Toeterende auto’s, mannen met baarden die hun Kalasjnikovs leegschieten op de zon. Gaatjes in de lucht. Kahlil is er. Hij zegt dat hij van me houdt. Hij zegt dat we nooit hadden mogen gaan.
“Kom,” zegt hij, “we gaan zwemmen.”
Ik doe mijn badpak aan, maar ik ben er niet. De elastische stof blijft haken aan de tatoeage die ik voor mijn verjaardag liet zetten. Een zonnebloem, bijna uitgebloeid, als ze op haar mooist is, en vogels haar zaadjes al komen pikken. Vreugde aan het zwembad. Ik voel ze niet. Ik denk aan de twee lijken. Ik denk aan mijn broers die achtergebleven zijn. Ahmed, die graag blokfluit speelde en slangenbezweerder wilde worden. Nu bezweert hij jonge rekruten en leert ze hoe ze een bus met gevluchte toeristen moeten laten exploderen. En dan Rachid, die meisjes leert rekenen en schrijven, die vrouwen een baan geeft, die graag doelman wilde worden en die nu op de hielen gezeten wordt door de vrienden van Ahmed.
Reactie plaatsen
Reacties