Reinaert de Vos en Jan Konijn waren de meest onwaarschijnlijke vriendjes in het Grote Bos. Ze vertrouwden elkaar blindelings. Op een dag was Jan op bezoek bij Reinaert. Er lag iets op zijn maag.
Reinaert bood Jan een stevig caviaatje aan.
“Dat kalmeert,” zei hij.
“Nee, dank je Rein,” zei Jan, “Ik heb geen dorst, een andere keer misschien.”
“Wat je wilt.”
Reinaert zette Dabbertje terug tussen de andere cavia’s in de buffetkast. Ophelia, Dabbertjes wijfje, ontfermde zich over hem, de wanhoop nabij.
“Stukje muisjestaart misschien?” vroeg Reinaert onbewogen.
“Mmm, nee,” mompelde het konijn en hij schudde zijn kopje.
Reinaert nam zelf wel een partje taart en schaafde nog wat extra muis over het roze dessert. Het gepiep maakte hem vrolijk.
“En Jan,” zei hij opgewekt, “vertel het eens. Wat brengt je hier?” Hij brak het nekje van het half beschaafde muisje en wierp het in de haard. Daarna stortte hij zich vol overgave smikkelend en smakkend op de muisjestaart.
Jan stortte zijn hartje uit. Honderduit vertelde hij over hoe hij gepest en uitgesloten werd, door zijn bloedeigen familie nog wel en dat hij ze de nek wilde omwringen. Hij schuwde de afschuwelijke details niet, over zijn worteltjesallergie, over de etterbuiltjes als pingpongballetjes zo groot, en dat ze gruwelijk openspatten en de geelgroene stroperige pus en …
Reinaerts smoeltje trok bleek weg. Hij braakte. Een roze smurrie met onverteerde muizenstaartjes, botjes, stukjes sponzige biscuit en ook een oogballetje, spetterde op de tegels. Het oogje stuiterde tot bij de buffetkast.
“Echt Jan,” zei Reinaert hijgend, “moest dat nu zo smerig?” Hij slikte wat oprispend zuur weg. “Vlug, een caviaatje. Dat kalmeert de maag.”
Jan snelde naar de buffetkast, greep het verschrikte Dabbertje, rukte zijn kopje eraf en liep met het stuiptrekkende beestje naar de kokhalzende vos. De overgebleven caviaatjes probeerden Ophelia weer bij bewustzijn te brengen. Reinaert perste Dabbertjes lijkje in een keer leeg. Het meeste bloed liep over zijn muil, maar hij kon toch enkele slokjes nemen.
Jan likkebaardde. “Mag ik er toch ook een?” vroeg hij.
“Ja, natuurlijk,” zei Reinaert tussen twee slokken. “Neem maar. Je weet ze staan.” Hij kreeg alweer een kleurtje.
In de buffetkast beefden de cavia’s. Ze duwden het schattige Babelientje naar voren. Het was haar beurt om gepakt te worden.Jan opende de caviakast en kreeg meteen een schop tegen zijn neusje.
“Au,” riep hij, “Dekselse rotcavia.”
“Oei,” zei Reinaert, “Het is Babelientje zeker? Maar niks van aantrekken Jan, gewoon uit de kast pakken en het kopje eraf draaien. Snel, voor ze gaat bijten.”
Babelientje wilde inderdaad bijten. Bijna was Jan een vingertopje kwijt, maar met de vingervlugheid die je van een konijn niet zou verwachten, ontkurkte hij Babelientje. Hij lurkte gelukzalig aan haar nekje. Heerlijk. Hij nestelde zich naast Reinaert.
“Terzake,” zei Reinaert de Vos. “Wraak zei je, op die wortelvretende maagschap van jou. Enfin, daar kwam het toch op neer.”
Jan Konijn knikte en nipte van zijn cavia-natuur.
“Ik vervloek mijn bloedverwanten,” oreerde hij.
“Wel,” zei Reinaert enthousiast, “dan heb ik al een plannetje klaar. Geef me ook nog eens een caviaatje en doe er maar een sigaartje bij. Dan leg ik het uit.”
In de kast brak opstand uit. Een caviaatje zo af en toe, tot daar aan toe, maar drie? Het was verdorie geleden van Sint-Juttemis. Ze pakten hun knapzakjes en klauterden langs aaneengeknoopte stoffen servetten de kast uit. Ophelia gooide een gebroken sigaar vlak voor de pootjes van Reinaert de Vos. “Hier heb je je sigaar, vileine vuilak,” riep ze schel en ze trapte het gebraakte oogballetje onder de kast. Toen poetsten alle caviaatjes in processie de plaat, net als al die vorige keren.
“Die vlegels komen vanzelf weer terug,” zei Reinaert onverschillig. “Ze kennen nog niet eens het verschil tussen links en rechts.” Hij zweeg een moment. “Maar wat zou je ervan denken,” vervolgde hij toen, “als oplossing voor jouw verzuchting, Jan, mocht ik mij in een konijn verkleden? En dan in die vermomming hun holletje binnendrong?”
Jan kreeg de slappe lach. “Rein, echt waar. Dat meen je niet. Het is nog lang geen carnaval. En bovendien, waar zou jij een konijnenvel vandaan ha…” Jan Konijn schrok. “Nee, Rein, dat meen je niet, toch? Rein?”
***
Einde
Reactie plaatsen
Reacties