Psalm achtenvijftig (deel 2)

Gepubliceerd op 12 januari 2026 om 20:40

Ik hou van ze allebei. Ik wil met ze praten, maar ze zijn er niet. Ik ben er ook niet. Ik ga naar binnen en verstop me tussen de kast en de muur. Ik eet vier perziken. Het sap loopt langs mijn mondhoeken en drupt op de grond. De stenen doe ik in de verkreukelde papieren zak. De laatste, meest gekneusde perzik leg ik boven op de kast, naast de vaas met zonnebloempjes. Kahlil komt binnen. Hij vraagt waar ik blijf. Ik zeg niets. Hij heeft het over een opblaasboot. Hij pletst dichterbij, strompelt onhandig omwille van de zwemvliezen en laat bijna zijn telefoon vallen. Hij vraagt wat er scheelt, waarom ik ben weggelopen. Hij legt zijn hand voorzichtig op de zonnebloem. Zijn smartphone gaat af. Hij neemt op en zwijgt. Hij huilt. Hij kijkt me aan en zegt: Rachid is …

Buiten verstomt het plezier. Het nieuws verspreidt zich als een olievlek. Ahmed, zeggen ze. Het is Ahmed.Naast de kast krimp ik in elkaar als een prop papier. Kahlil hurkt naast me en schokt. Hij houdt me stevig vast. We zijn twee pulserende propjes. Buiten jammeren de vrouwen luidruchtig. Ik niet. De woede en het verdriet ruisen binnen in me weg, als een waterval in een grot. De perzik wordt moes.

De hele namiddag zitten we buiten aan het zwembad, handdoeken over onze schouders, smartphone in de hand, zonnebrillen op het voorhoofd. Af en toe hoor ik een ringtoon, wat gedempt spreken, soms zet iemand zijn telefoon op speaker en luisteren we allemaal mee naar Arabische of Franse woorden over Ahmed en Rachid.

 

 

 

 

Details dwarrelen binnen. Ik ben er niet. Ik ben bij Rachid wanneer hij gefolterd wordt, wanneer zijn rechterhand eraf gaat, wanneer hij door een oorlogstribunaal volgens de Sharia berecht wordt. Ze brengen hem naar een voetbalveld. Hij hangt aan de deklat.

Ik denk aan de laatste keer dat Rachid bij ons was. We gingen naar een museum. We zagen Van Gogh, de zonnebloemen. Ik liet de tatoeage zetten en hij betaalde. “Een verjaardagscadeautje”, zei hij, “voor mijn allerliefste zus.” Hij zei ook: “Is het je opgevallen dat de manier waarop de zaadjes van de zonnebloem gerangschikt zijn, erg lijkt op hoe onze geloofsgenoten zich geknield rangschikken rond de Ka’aba?”

Ik lachte. “Rachid, echt, dat is wel het laatste waar ik aan zou denken.”

“Ik weet het,” zei hij met een mysterieuze glimlach, “Ik weet het.”

Ahmeds naam valt plots dicht bij het zwembad. Iemand zegt dat de twee mannen van op televisie, van aan de kraanwagens, Rachid en Ahmed zijn. Ik vraag me af hoe ze dat weten. De telefoons gaan nu onophoudelijk over. Iedereen spreekt door elkaar. Een Babylonische puzzel wordt langzaam maar zeker gelegd. Rachid werd door Taliban opgepakt en meegenomen naar de kleedkamers van FC Kaboel. Ahmed was degene die hem ontdekte en verraadde. Even later een berichtje dat Ahmed niet eens in de buurt was. Gespeculeer over Ahmed, zijn vrienden van de Taliban en de dood van Rachid.

“Ahmed was de beul, zeker weten, zoals Ahmed Rachid met heel zijn wezen haatte,” poneert een neef als vaststaand feit.

De zonnebloem op mijn rug huivert.

Nieuwe gesprekken en berichten weerspreken de neef. Ze hebben Ahmed gedwongen zijn broer aan te geven. Er verschijnt op een van de smartphones een onduidelijke foto van een dode man met bebloede mond. Ahmed, zeggen ze, maar de kwaliteit van het beeld is veel te slecht. Ze vergelijken het met de televisiebeelden van de opgerakelde lijken. Niet op te maken of het om dezelfde persoon gaat.

Ze troepen samen, ze zoomen in, er wordt gediscussieerd. Het beeld is veel te wazig. Toch kan ik het niet uit mijn hoofd zetten.Er komen nog meer foto’s van dezelfde man, scherper nu, van zijn handen, zijn gezicht. Het is Ahmed. Verminkt. Nagels uitgetrokken. Tong uitgesneden. Ik braak. Het klettert in het zwembad.

Ik verlies het bewustzijn. Ik kom bij. Eerste gedachte: Ahmed heeft Rachid niet verraden. Verwarring. Verdriet. Opluchting. Ik wil vragen waar de foto’s vandaan komen. Ze vertellen over Ahmed en Rachid. Ze zaten opgesloten in dezelfde gestripte kleedkamer. Ahmed is eerst opgehangen. Zijn tong is pas uitgesneden nadat hij overleden was. En ik ben er niet. Ik ben bij mijn twee broers in dezelfde kleedkamer. Ze zwijgen. Ahmed huilt en vraagt vergiffenis. Rachid omhelst Ahmed. Ze komen Ahmed halen. Hij zegt nog: “Sorry broer.” Het is meer dan tien jaar geleden dat hij Rachid nog broer heeft genoemd.

Een kwartier later hangt Ahmed aan de deklat in het lege stadion. Taliban met tulbanden, jurken en Kalasjnikovs houden de wacht bij de verrader. Dan knopen ze hem, Rachid, op. “Geeft niet broer,” fluistert hij vlak voor ze samen het paradijs inwandelen.

 

 

 

Ik ben binnen. Ik zit geknield als een zonnebloempitje op het handgeknoopte Perzische tapijt voor de kast met de fijnmazige deuren. Buiten geen plezier, wel soms geplons. Voor mij ligt het psalter van mama open, het enige christelijke boekje dat ze van haar islamitische schoonfamilie mocht meenemen. Af en toe sla ik een beduimelde bladzijde om. Het dunne papier is rimpelig waar ooit de tranen vielen. De eeuwenoude woorden tuimelen. Af en toe zak ik weg in een diepe mijmering. Af en toe staan Ahmed en Rachid in de kamer, keuvelend tegen elkaar. De hele tijd bid ik de woorden die ik lees. Venijn van dove adders, vervloeiend water, verslijmde slakken, Taliban die gaan als de miskraam van een vrouw. O God, sla ze de tanden stuk. Vermorzel die welpenkaken, haal de kraanwagens omver. Laat Uw gerechtigheid zegevieren. Amen. Moge het zo zijn.

Ik sta op, strek de zonnebloem op mijn rug om de zonnebloempjes uit de vaas op de kast te nemen. Ik loop naar buiten, het felle zonlicht in. Ze kijken naar me. Ik knipper met mijn ogen.

‘Perziken toch,’ zegt Kahlil.

“Hebben Rachid en Ahmed een graf?” vraag ik.

Eerst antwoordt niemand. Ze slaan hun blik weg of staren naar hun voeten. Dan zegt een oom: “Verraders krijgen geen graf.”

Ik peuter enkele zonnebloempitjes uit het hart van de bloemen en neem een van de potjes waar een cactus in staat.

"Het zijn geen verraders," zeg ik en ik ruk de cactus uit. Ik voel de stekels niet, maar maak een kuiltje in de grond en ik zaai de zonnebloempitten en ik zeg: “En dit is hun rustplaats.”

 

***

Einde


Rating: 0 sterren
0 stemmen

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.